De Dwergschnauzer


 De schnauzer, ook rattenvanger genoemd,
 
Gezelschaps- en begeleidingshond.


 

 

De Dwergschnauzer is een ruwharige gezelschapshond van 30 tot 35 cm schofthoogte. De kleuren van zijn vacht zijn peper & zout, zwart, zwart-zilver en wit.

De Dwergschnauzer ontstond rond het jaar 1900 toen men een kleinere type schnauzer begon te fokken die in uiterlijk en karakter overeenkwam met de middenslag schnauzer.

Klein, krachtig, eerder gedrongen dan slank, ruwharig, elegant, de karaktertrekken van deze verkleinde middenslag Schnauzer komen overeen met die van de Schnauzer maar worden be´nvloed door het bij een dwerghond behorend temperament en gedrag.

Schranderheid, onverschrokkenheid, uithoudingsvermogen en waakzaamheid maken de Dwergschnauzer tot een prettige huishond alsmede tot een waak- en begeleidingshond, die zonder problemen in een kleine woning kan worden gehouden.

 

LAND VAN OORSPRONG : Duitsland

 

Rond het jaar 1900 vond in de omgeving van Frankfurt am Main, een schnauzerdwerg zijn weg, die 
toen nog ruwhaar dwergpinscher werd genoemd.  Het was geen gemakkelijke opgave, uit de verschillende verschijningsvormen, maten 
en types en de wirwar van harde, zachte en zijdeachtige vachten, een kleine hond te fokken, die in uiterlijk en in karakter volledig op 
zijn grote broer de schnauzer leek.       

 

ALGEMEEN VOORKOMEN

 

  Klein, krachtig, eerdere gedrongen dan slank, ruwharig, elegant, de verkleinde versie van de schnauzer, 
 

 

GEDRAG/KARAKTER

 

Zijn typische karaktertrekken komen overeen met die van de schnauzer en worden be´nvloed door

het bij een dwerghond behorende temperament en gedrag.  Schranderheid, onverschrokkenheid,

 uithoudingsvermogen en waakzaamheid maken de dwergschnauzer tot een prettige huishond en ook als

 waak- en begeleidingshond, die zonder problemen in een kleine woning kan worden gehouden.                          

 

VACHT

 

 Het haar moet draadachtig hard zijn en dicht ingeplant. 

 Het bestaat uit een dichte onderwol en in geen geval te kort, 
hard dekhaar, dat goed aanligt.    

Het dekhaar is ruw, lang genoeg om de textuur aan te kunnen tonen en is noch ruig, noch golvend.  Het haar aan de benen heeft de 
neiging niet zo hard te zijn.  Op de schedel en aan de oren is het kort.  Als typisch kenmerk geldt een niet te zachte baard aan de 
voorsnuit en borstelige wenkbrauwen, die de ogen licht overschaduwen. 

 

Schofthoogte

 

        30 tot 35 cm.

 

Gewicht

 

       4,5 tot 7 kg.